Weekendje Terschelling met de kano

Terschelling, 20 – 21 – 22 september

We voeren naar Terschelling en zagen wij een zeehond, uiteraard.
Hoewel ik op de terugweg een zeehond dacht te zien maar die had geen ogen en bleek een bal te zijn.

Wat gaat er in mij om tijdens een lange tocht ?
Gedachten over het dagelijks leven en soms een liedje: 

Melodie: Zij kon het lonken niet laten: 
‘Ik ben een uitgestorven dodo, maar ik herleef vandaag.
Ik vond het leven toch maar zo-zo en zat er mee in mijn maag.’  

Na een voorspoedige tocht, een avond onder de sterrenhemel en een gebroken nacht ontmoeten wij elkaar aan de picknicktafel.
Aan de rand van het veld hangt een geïmproviseerde waslijn die steeds voller raakt. Frank ziet het als een sociologisch experiment of de laatkomers er hun was ophangen tot de lijn breekt of dat men andere oplossingen gaat zoeken. Een ander sociologisch verschijnsel zijn de verliefde Freek en Karka die naast de waslijn neerzijgen. “Zodra de hormonen rond gieren gaat men zich afzonderen.”
Het gesprek vervolgt over de voor en nadelen van de Kano Rijnland mok bij kamperen, je kan het niet met het andere bestek in elkaar schuiven en hij lekt als je hem ondersteboven op de thermoskan zet, en over de portretten van beroemde mensen in de sigarenwinkel waar stormaanstekers worden verkocht, of dat nou alleen om dode beroemdheden gaat of ook van de levende. ‘Toekomstige doden’ wordt geopperd. Mathijs vertelt over de wandelvierdaagse, dat het heel normaal is, statistisch gezien, dat er een paar sterfgevallen zijn op een aantal lopers van 40.000 mensen.
Zo kabbelt het gesprek verder terwijl andere kampeerders aanschuiven aan tafel en ons als een sociologisch experiment lijken te zien.

Inmiddels zijn Julit en Birgit bij de tortelduifjes aangeschoven want daar is zon.
Birgit krijgt koffie aangeboden met een excuus erbij, om de temperatuur. Ze zegt dat het koffie is en dat is het belangrijkste. Ze vraagt of ik broccoli rauw eet, dat kan ze zich bij mij wel voorstellen, en vertelt dat zij en Julit, zij zijn met de pont gekomen en hebben over het eiland gefietst, een veld met wel 30 lepelaars hebben gezien. We hebben het over de groeivormen van bananen en avocado’s en over de gouden eeuw en dat dat anders gaat heten omdat het fortuin over de ruggen van slaven heen verdiend is, en kan je dat nou wel ‘goud’ noemen ? De meningen zijn verdeeld. 

Dan gaat het over dieren, welk dier zou je willen zijn ? Karka wil een dolfijn zijn, Freek een zeearend zijn “maar ik houd niet van vis”. Birgit overweeg een luiaard, want die zijn zo rustgevend om naar te kijken of ze wil wel een vogel zijn, ze weet niet precies wat.. Freek denkt mee: “Of een luiaard die van een tak valt ?” Uiteindelijk wil ze een leeuwerik zijn. Julit vertelt over de smelleken roofvogel, die is er op getraind om op leeuweriken te jagen, de vlucht van de smelleken is zo mooi, daarom.. Ze deed er een cursus over, in Engeland. Zelf wil ze een rode wouw zijn, “die kunnen onwijs goed vliegen en eten insecten, die hoeven niks te verscheuren”. Toen Tjeerd padvinder was heette hij ‘Bagheera’ Naar de zwarte panter uit het Jungle Book. Hij blijft een zwarte panter. Ik zou graag een huiskat zijn, of een bonobo aap, die lossen elk conflict op met seks. Frank komt aanlopen, hij vindt het een geweldig idee. 

Frank stoort zich aan het geluid van een bosmaaier en geniet van de echo van de vertrekkende pont. We wandelen, ieder is uitgevlogen. De maan staat nog aan de heldere hemel, de duinen zijn vol van rode en oranje bessen en de duindoorn smaakt zuur en bitter tegelijk. We zien paddestoelen, horen het geluid van een verre geit en zwemmen in de tintelfrisse zee.

śAvonds bespreken we de tocht van de volgende dag, Rein spreekt over pleziervaargeulen en neuslastige boten. Karka laat haar hoofd op de picknick tafel vallen, heft het weer een beetje op, wijst naar haar neus en zegt “lastig”. Een zware neus is handig voor door de wind, de achterkant compenseren we met de scheg. We gaan vijf uur lang varen, met wind vijf en we staan om vijf uur op. Wel veel vijven, is Manon van mening. Die ene vijf blijkt later een drie a vier te zijn, die andere een ruime zes en we zijn wel om vijf uur opgestaan.
‘s Avonds bedenk ik mij dat ‘scharrelvlees’ evenveel lettergrepen heeft als ‘spiegelbeeld van het lied ‘spiegelbeeld, vertel eens even’. Ik zing het voor Karka, “scharrelvlees, vertel eens even” en vertel haar dat ik de rest van het lied nog niet weet. De volgende vrolijkt zij mij op met het vervolg van het lied. “Ze was even stil, en toen was het er ineens,” voegt Freek er bewonderend aan toe. Het is bij boei V.L.6, net nadat ik dacht dat ik een zeehond zag maar het was een bal zonder ogen, en terwijl ik gespannen probeer om mij te verhouden tot de andere vaarders, inhouden, bijsturen en afsnijden net als in het dagelijks sociale verkeer.

Het lied van Karka:
‘Scharrelvlees vertel eens even, heb je moedermelk gekregen ?
Of heeft de mens het opgedronken en jou poedermelk geschonken ?’

Na een wonderlijke ondergang en directe opkomst van een kanomaat, hongerklap onder de gelederen en vele manieren van plassen, met plastuit en opvangbakje, met de bips over de rand, staand in ondiep water, staand in de kano voor het openen van de rits of liggend in zee, treed volgend jaar toe tot de cursus ‘plassen op zee’, komen wij behouden aan in Roptazijl.

Sophie
Voor alle foto’s klik hier

Dit bericht is geplaatst in Grootwater, Verslagen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.